Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV6321

Datum uitspraak2006-03-17
Datum gepubliceerd2006-03-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/369 WSF
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing verzoek dat prestatiebeurs niet voor omzetting in een gift in aanmerking komt. Geen situatie die dwingt tot afwijking van de toepasselijke wettelijke bepalingen.


Uitspraak

05/369 WSF U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 5 april 2004 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 januari 2004 waarbij gedaagde onder meer de aan appellant verleende studiefinanciering over de maanden september 2002 tot en met februari 2003 heeft omgezet in een lening. Bij uitspraak van 6 december 2004, nr. 04/594 WSFBSF, heeft de rechtbank Arnhem het beroep van appellant tegen het besluit van 5 april 2004 ongegrond verklaard. Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden en onder overlegging van een aantal bijlagen tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 februari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door G.H.F.A. Brugman, en waar namens gedaagde is verschenen mr. K.H. Hofstee, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. II. MOTIVERING De rechtbank is op grond van de in de uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat gedaagde bij het besluit van 5 april 2004 terecht heeft beslist dat de prestatiebeurs die appellant over de maanden september 2002 tot en met februari 2003 heeft ontvangen niet voor omzetting in een gift in aanmerking komt. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat zich in het geval van appellant geen situatie voordoet die dwingt tot afwijking van de toepasselijke wettelijke bepalingen. Appellant heeft in hoger beroep zijn reeds eerder bij de rechtbank ingebrachte grieven herhaald. Voorts heeft hij gewezen op een door de decaan van de [naam school] opgestelde verklaring, waaruit naar zijn mening blijkt dat er omtrent de omzetting van een prestatiebeurs in een lening onduidelijkheden bestaan. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze grieven niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. De door de decaan opgestelde verklaring brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring blijkt geenszins dat door gedaagde aan appellant toezeggingen zijn gedaan waaraan appellant het gerechtvaardige vertrouwen zou kunnen ontlenen dat gedaagde – in strijd met de wet – de hem verstrekte prestatiebeurs over de in geding zijnde periode zou omzetten in een gift. De opvatting van de decaan dat de berichtgeving van gedaagde richting appellant, hoewel niet onjuist, vollediger zou hebben gekund en de mededeling dat gedaagde niet de enige student is die in de onjuiste veronderstelling leefde over de uit de wettelijke voorschriften voorvloeiende rechten met betrekking tot een omzetting als in geding, is hiervoor onvoldoende. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2006. (get.) J. Janssen. (get.) A.C.W. Ris-van Huussen.